Ongeveer tien jaar nadat de jazz voet aan de grond kreeg in Nederland, kreeg het schrijven over jazz zijn eigen podium in De Jazzwereld (1931- 1940). In de kolommen van dit blad, een van de oudste geheel aan de jazz gewijde periodieken ter wereld, poogden de auteurs hun geliefde muziek te duiden, alsook te verdedigen tegen de toen heersende kleinburgerlijke moraal. Immers, voor de gevestigde orde was jazz synoniem met zedenverwildering en dierlijke seksualiteit. De jazzliefhebbers pareerden al dat onbegrip met een purisme dat soms niet onderdeed voor de benepen mentaliteit waartegen zij zich v |